Peter’s antwoord weerklonk vanuit de put: “Hebbes! Hier komt de eerste!” Katie keek met ingehouden adem toe hoe een klein harig wezentje uit de duisternis tevoorschijn kwam, zachtjes in Peters handen geklemd. Hij had een geïmproviseerde draagband van zijn jas gemaakt om ze omhoog te dragen. Toen Peter dichterbij kwam, reikte Katie naar beneden en tilde het bange diertje in veiligheid.
“Je bent nu in orde, kleine jongen,” fluisterde ze. Katie creëerde een warme, zachte plek voor de dieren om bij te komen. Een voor een kwamen er meer uit de put toen Peter het touw naar beneden liet glijden. Elke keer als Peter naar boven ging, spande zijn spieren, en Katie’s zenuwen knetterden. Maar het touw hield stand. Bij elk gered wezen voelde Katie een opluchting.