Het licht onthulde tientallen kleine, gloeiende ogen die hem aanstaarden. De wezens, onbekend en griezelig, leken te kronkelen en te bewegen in de schaduwen. Peter kon nauwelijks ademhalen toen hij besefte dat hij hier niet alleen was. De aanblik van deze wezens, met hun ogen die schitterden in het licht, bezorgde hem rillingen over zijn rug. Maar toen drong het tot hem door.
“Katie, dit moet je zien!” Peter’s stem weerklonk vanuit de put, gemengd met schok en een vleugje angst. Katie kwam dichterbij, haar hart ging tekeer van opwinding en een beetje angst. Toen ze in de donkere ruimte keek die verlicht werd door Peters zaklamp, zag ze iets: er was beweging, kleine gedaantes die rondrenden en precies leken op de vreemde wezens die de wolf naar het ziekenhuis had gebracht.